Sunday, January 3, 2021

ESSAY - “Ik” is een zijn in wording: een essay over de zelfkwellende zoektocht naar mezelf

 “Ik” is een zijn in wording: een essay over de zelfkwellende zoektocht naar mezelf

 

When I stare into

the glass at night

It looks like I

Have two black eyes

From beating myself up

 

A breakthrough can break you

Snap out of it, snap back into place [1]

 

Ik schrijf essays. Ik schrijf proza. Ik schrijf gedichten. Ik schrijf versjes. Ik schrijf ideeën neer, ik maak to-dolijstjes en zelf-gerichte kattenbelletjes. Op papier of digitaal, alles wordt neergepend. Waarom doe ik dit? Waarom schrijf ik zoveel over mijn werk en in extensie over mezelf, naar mezelf? Waarom voel ik de dwang, neen, heb ik de obsessie met op deze manier brieven naar mezelf te sturen? Brieven waarbij ik, áls ik ze al open, áls ik ze al lees, meestal niet naar de boodschap luister. Wanneer ik ze dan toch lees, verander ik meestal de boodschap. Het niet willen vergeten, doch niet willen weten. Waarom schrijf ik dan aan mezelf?

Schrijven creëert afstand. Een afstand met mezelf. Met mijn “ik”. Dit is een vak waarin ik me gespecialiseerd heb. Ik probeer te reflecteren over mezelf en te plannen voor mezelf. Schrijven is daar mijn standaard medium voor. Het brengt mijn gevoelens en gedachten tot rust. Bovendien zorgt het voor een distantie tegenover mijn gevoeligheid en probeert het deze in toom te houden. Dit is niet zonder reden: alles even opschrijven is mijn hoofd leegmaken. Dan moet ik even niet meer denken aan alles wat ik nog moet doen. Als alle gedachten, alle ideeën, neergeschreven staan dan veranderen ze niet, dan kunnen ze niet vluchten. En toch, toch voel ik een vervreemding met wat ik dan geschreven heb; als ik het achteraf lees lijkt het niet van mij te zijn. Hoe komt dit?

Ik heb gemakkelijk de neiging om alles tegelijkertijd te doen: als er een idee voor een werk in me opkomt, moet het uitgevoerd worden. Dit is natuurlijk niet realistisch, en mijn hoofd weet niet altijd goed hoe het ermee moet omgaan. Ik begin met tekenen, met schrijven, en panikeer; want ik zit altijd vooruit op mezelf, wat maakt dat het overzicht verdwijnt. Ik bevries. Begin te vrezen, te denken, te doemdenken. Er wordt niets gemaakt. Om dit te doorbreken schrijf ik mijn gedachten op. Dit neemt een groot deel van de stress weg. Het lijkt de beste oplossing; ik maak een “zo moet het” of “dit is het” voor later. Maar later lijkt deze tekst vervormd en is het initiële idee of de magie van dit idee helaas verloren gegaan. Mijn liefde voor het maken vecht met de vernietigende aversie van mijn zelfkritiek. Wanneer ik ergens te veel mee bezig wil zijn kom ik op een punt dat ik alles slecht vind en kapot wil maken. Het bezorgt mij hoofdpijn en teleurstelling.

Ik schrijf ook fantasieverhalen om zo’n afstand met mezelf te creëren. Dan maak ik in mijn hoofd een kopie van wat ik leuk vind, van situaties, van mezelf, zodat ik niet gekwetst word als dingen anders uitdraaien dan wat ik verwachtte. Ik ben bang van verandering, het concept dat dingen veranderen boezemt me angst in, dus schrijf ik alles op. Steek ik mijn ideeën in een ruimte van tijdloosheid: een fictieve wereld waarin ik zonder zorgen kan vertoeven. Waar ik niet besta, waar mijn “ik” opgedeeld wordt in stukken en verspreid over een verscheidenheid aan personages. Zij leven in een plaats en tijd waar alles kan en mag, een eindeloos moment om alles in te proberen. Zonder tijdsdruk. Zonder zorgen. Zonder schaamte.

Is al dat schrijven van me dan wel nuttig, als ik toch niet luister? Waarom probeer ik inzicht te krijgen in “ik”? Is het een Sisyfusarbeid? Een Tantaluskwelling, een nutteloze poging om tot mezelf te komen, of om van mezelf te ontsnappen? Naar die “opdrachten aan mezelf” wordt meestal toch niet geluisterd, en die fictie, die is toch maar fictie, nee? Neen. “Enkel in het rijk van fictie vinden we de meervoudigheid van het leven die we nodig hebben”[2], zegt Byron, Lord Byron. Fictie schrijven is niet nutteloos, integendeel, het doet ons reflecteren over ons leven, omdat het deel uitmaakt van ons leven. Elke vorm van tekst heeft zijn moment en zijn doel. Misschien is het doel niet wat de tekst inhoudt, maar wat de schrijfpraktijk teweegbrengt. Mezelf afzetten van wat er staat is niet “niks doen” met de tekst, het is juist het geschrevene in acht nemen via minachting, om zo een nieuw inzicht te ontwikkelen. Je moet je ergens tegen verhouden om een perspectief te hebben. Weten wat je niet (meer) wil doen, is onderdeel van weten wat je wel wil doen.

Ik lijk minder te luisteren naar mezelf wanneer ik “als mijzelf” schrijf dan wanneer ik “niet als mezelf” naar mezelf schrijf, op een indirecte wijze, via verhalen. Het is een vorm van reflectie maar ook van deflectie. Ik splits mezelf op in stukken die behapbaarder zijn. Ik schrijf verhalen die niet over mij gaan, om achteraf te beseffen dat ze op onderbewuste wijze wél over mij gaan. Alter-ego-alternatieven zijn fijner. Ze zijn als het ware een spiegel die genoeg vervormd is om mezelf er niet meer in te zien, en waar ik dus liever naar kijk. Soms luister je nu eenmaal beter naar jezelf als je praat met een andere stem. Minder opdringerig. Het is een spel, volgens Lord Byron, het speelse maakt de serieuze levenslessen aangenamer.[3] Het zorgt voor een gezondere relatie met onszelf. Welgeliefde Duitse schrijfster Juli Zeh noemt het schrijven in proza dan ook een “afgezwakt tot-jezelf-komen of een gesimuleerd bij-jezelf-zijn, omdat 'jezelf' in dit geval niet 'ik', maar een literair perspectief is. Een degelijk opgebouwd perspectief is veel beter te verdragen dan het hectische geflikker dat we ons 'ik' noemen. Natuurlijk kom je al vertellende evengoed dicht bij jezelf." [4]

Als ik aan mezelf “als mezelf” schrijf voelt dit gebroken, dissociatief, confronterend. Dan wil ik me afzetten van wat ik zeg.  Het voelt meer ontvreemd, bevreemd dan als ik niet als mijzelf spreek. Waarom voel ik dan de nood, telkens opnieuw, om dit te doen? Waarom heb ik zo een nood aan zelfcontrole, aan mezelf in toom te houden?

Ik heb in mijn jeugd altijd veel delen van mezelf onderdrukt. Die kwamen enkel tot uiting via fantasie, via alter ego’s. Tot ik op een punt kwam dat dit niet meer volstond, dan ben ik moeten losbreken, dan moest ik naar buiten komen en mezelf tonen. (Of cru gezegd: ik ben uit de kast gekomen.) Nu ik dat wel kan, mijn eerlijke zelf zijn, de waarheid spreken, dan moet ik dat toch doen? Liefst zo veel mogelijk, toch? Mezelf zijn, mijn “echte ik.”

Het echte “ik” is zoiets abstracts en ik ben bang van abstractie. Letterlijk durf ik dit niet in mijn werk, zoals Francis Bacon dat doet, daar kan ik niet naar kijken. Toch, toch is het zo intrigerend! Toch ben ik jaloers en toch kijk ik naar hem op. Abstractie is zo krachtig, en ik heb de angst om controle te verliezen over mijn emoties door deze te complementeren met een té direct medium, dat het té goed zou uitbeelden. Dus probeer ik alles te beredeneren en er een logisch verhaal van te maken. Iets van deze wereld.

Zoals Bacon zo sterk met het onderbewuste werkt, zo durf ik niet naar dat van mijzelf te luisteren. Wat niet betekent dat er geen sterke intuïtie in me leeft. Juist wel, maar deze vecht met een sterke angst. Een faalangst, een angst om af te gaan. Ik wil afgaan van het onderbewuste, maar ook op zoek gaan naar de betekenis. Beide op een obsessieve wijze. Liefde voor realisme én transcendentie. Confrontatie, reflectie én een deflectie, ontwijken. Mijn weten en voelen willen elkaar in toom houden, elkaar de baas zijn. Dit maakt alles zweverig én zwaar. Een wereld van tegenstellingen. Er zal altijd iets in mezelf het beter weten dan ikzelf.

Soms voel ik me als een van Bacons vervormde, bewogen en erg pijnlijke portretten. Dan wil ik ook ontsnappen aan de kunstpraktijk, aan mezelf. Ik wil het soms ook uitschreeuwen. Door een last op mijn schouders, het alles willen doen. Een extreme impuls van creatie die vecht en overgaat in een extreme impuls van destructie. Zelfdestructie. Het gaat niet allemaal tegelijkertijd! Dan zweef ik én dan voel ik me zo zwaar. Vecht ik voor een ik, of tegen een ik? Dan gebeurt er niets, wordt er niets verricht.

Als ik een portret maak, sta ik op figuratief werk, sterke mimesis. Waarom? Waarom bind ik realisme aan waarheid? Schilder ik “droge realiteit” omdat het anders té gevoelig wordt? Waarom heb ik zo’n nood aan het spreken van mijn waarheid? Via woorden of beelden? Mijn identiteit is lang verdrongen geweest, verscheurd, waaruit fantasiebeelden, personages zijn ontstaan. Een zoektocht, in het geheim, in mijn hoofd. Waar het veilig is. Op papier, waar het eeuwig is.

Nu wil ik naar buiten komen, alles tot uiting brengen, tonen waar het op staat. Ik wil mijn abstracte zelf of identiteit vormgeven op een figuratieve manier om duidelijkheid te scheppen (voornamelijk voor mezelf). Een ideale weergave of beschrijving zoeken. Maar dit is natuurlijk enorm moeilijk en confronterend. Hiermee leg ik een enorme druk op mezelf.

Maar waarheid uitbeelden, die verbeeltenis vervalt. Ik begin fouten te zien in mijn werk, “onwaarheden”, soms zelfs al voor ik het gemaakt heb, bij het lezen van de ideeën die ik neergeschreven heb. Ik zal mijn werk nooit goed blijven vinden. En toch maak ik het zo graag. De “ultieme waarheid”, de “ultieme realiteit” is ook een fantasie. De fictie in mijn “ik”, nu dat ik mezelf meer toelaat mijn “echte ik” te zijn, wordt verstopt. Deze fantasiewereld mag nog bestaan, deze heeft nog zijn nut. Ik kan ermee spelen, ik kan haar vormgeven. Ik kan beter een contact leggen tussen het innerlijke en uiterlijke, in plaats van er een gevecht van te maken. Ik moet de neiging mezelf te onderdrukken leren begrijpen, en opheffen!

Bacon noemt schilderkunst een “gevecht van man tot man ”[5]. Ik herken dit, mijn kunstpraktijk voelt ook als een gevecht met mezelf. Hoge verwachtingen, moeite met beginnen, ermee bezig zijn en het beëindigen, altijd iets vinden om mezelf teleur te stellen. Ik voel een gevecht tussen mij en wat ik doe, van alles of niets, van liefde en haat. Oplichterssyndroom, geen blijvende affirmaties, continue nood aan goedkeuring en bevestiging van mezelf. Nood aan bevestiging van mijn werk, van mijn kunnen en kennen. Een angst voor hybris en voor minderwaardigheid leidt tot een ondermijnen van het eigen kunnen. Schrijven probeert deze leegt op te vullen, het doemdenken weg te duwen, maar dit lukt nooit helemaal.

Ik voel een angst voor het nu, in het maken van een werk. De ontmoediging van het moment, de confrontatie van het zijn. Als het moment dan gekomen is om iets te maken, dan is dit moeilijk. Ik zou niets liever doen! Dat is zo’n hatelijk, zo’n pijnlijk gevoel waarvan ik niet weet wat ik ermee moet aanvangen. Ik wil dat het product allesomvattend is; een trauma-uitdrukking én een vooruitkijken. Alles wat ik was, ben, en zal zijn. Luchtigheid, humor, zwaarheid, tragedie willen combineren. Iets zoeken dat mijn verwachtingen vervult, nee, overtreft. Het wordt me bijna fataal.

Hoge verwachtingen en lage verwachtingen van mezelf botsen op elkaar. Zoals Zeh het mooi verwoordt in haar Briefroman Over schrijven, literatuur en het schrijverschap. "Hemeltergende pogingen om eerst maar eens zijn eigen schepper te worden door zichzelf uit te vinden, de lege hemel boven zijn hoofd met zichzelf te vullen, zichzelf te overstijgen om tot zichzelf te komen. Grootheidswaanzin en minderwaardigheidscomplex bereiken daarin een perfecte, zelfdestructieve congruentie"[6]

De liefde-haat relatie met mijn eigen werk is een interessante spanning die me levendig houdt, en me tegelijkertijd ook doodmoe maakt. Ik moet eens stoppen met oordelen vóór het beeld gemaakt is. Hoe kan ik anders vergelijken? Hoe kan ik anders verbeteren? Perfectie is onmogelijk.  Leer loslaten wat je was, of zou kunnen zijn. Maak zoals je bent.

Er is geen bril om alles te zien, dan  zou valt de wereld als een caleidoscoop-beeld in stukken uiteen. In een kapotgeslagen spiegel ziet men ook meer van zichzelf. Een leugenachtige weergave, vervormd, een verbasterde versie van het “ik”. Wat Lord Byron deze Byron leert, is dat het “ik” geen constante is, maar het altijd in beweging zal zijn. “Waarheid” verandert. Dit voelt ontmoedigend. Alsof ik altijd mezelf zal verliezen. Maar het betekent ook dat er veel te winnen valt. "Het mooie van het ik of de eigen persoonlijkheid als hoofdonderwerp van het essay, is dat je eigen ik nu precies iets is waar je nooit werkelijk vat op kunt krijgen of wat je nooit helemaal zult begrijpen, domweg omdat je het zelf bent. Dat betekent dat er voor de essayist altijd stof is om over te schrijven.”[7] Wil ik echt weten wie ik ben? Dan wordt het net écht moeilijk, nee? Dan is er niets meer te veranderen, te verbeteren.

Zoals Bacon zijn eigen werk soms wou vernietigen wanneer hij niet tevreden was, zo zal ik mezelf niet gehoorzamen en mezelf blijven dwingen tot gehoorzaamheid. Dit is een spel, een spel van mezelf zoeken en van afstand van mezelf nemen. Schrijven en werken maken is een proces, de “resultaten” maken deel uit van een proces, het proces genaamd “ik”.

Ideaal vecht met doembeeld. Utopie en dystopie, mooie droom en nachtmerrie, zo hard verschillen ze niet. Als je ze al uit elkaar kan houden. Moet dat dan? Wat heeft men aan een dichotome, zwart-wit wereld? Dat is niets voor mij! Dat heb ik mezelf al bewezen. Geef mij maar kleur, ik zal de verwarring en overprikkeling er wel bij nemen. Liever teveel dan te weinig. Liever niet kunnen kiezen door een overvloed aan al wat me interesseert dan niet kunnen kiezen door een tweedelig bod dat me niet interesseert. Ik hoef niet altijd te kiezen, of te weten wat ik moet kiezen. Er is geen “ideale uitdrukkingsvorm” noch in medium noch in wat ik doe met dat medium. Het mag er allemaal zijn, en het mag allemaal komen en gaan.

Ik zal nooit alles weten. Ik kan proberen alles te lezen, te bekijken, te maken, te schrijven, maar dat lukt niet. Soms moet je keuzes maken, met rede én met gevoel. Opnieuw en opnieuw. Dat is oké. Soms is een blinde vlek oké. “Ik” is fluïde. Soms heb ik nood aan grondige reflectie, soms moet ik even niet in de spiegel kijken als ik me een Medusa voel.

Ik hoeft het niet altijd te weten, die w-vragen van het zijn. Vertrouwen hebben, dat wat je voelt te moeten weten, is wat het is. Het zal zijn hoe het moet zijn. “Iedereen die over zichzelf spreekt raakt verloren”[8], aldus Lord Byron. Soms moet men eens verloren lopen om de weg te vinden. Teruglopen, of een pauze nemen, je blijft onderweg. Je blijft evolueren.

Ik schrijf en maak werken als een legitimering van mijn bestaan. Elke “uitkomst” is een onderdeel van mijn proces. Dit is niet slecht, dit maakt wat ik doe, schrijf, maak, niet nutteloos. In tegendeel! Ik moet het blijven doen! Wat ik achteraf “lelijk” of “slecht” of een “gebrek” vond is een aanzet voor een nieuwe alinea, een nieuwe tekening, een inzicht voor nieuw werk, een nieuwe ik. Het betekent dat ik mezelf overtroffen heb. Dit is geen verlies, dit is een aanwinst. Jezelf zijn is een proces, door steeds nieuwe stukjes ervan te bevrijden.

Wie en wat je zal zijn, hoef je niet te weten. Blijf gokken, raden, gissen, vergissen. Houd jezelf in beweging. Weet dat je het niet altijd weet. Dat is genoeg. Dat is oké.


 

Bronnenlijst:

Bevis, Mattew, Life lessons from Byron, Londen: Macmillan Publishers, 2013.

Ficacci, Luigi, Bacon, Keulen, 2003.

Mulder, Arjen, De ruimte van het essay, In De gids 169 (februari), 2006: 132-142.

Zeh, Juli, Briefroman: Over schrijven, literatuur en schrijverschap, Frankfurt am Main: Schöffling & co, 2013.  

 



[1] De Weerdt, Zelfgeschreven gedicht, 2020.

[2] Bevis, Life lessons from Byron, 2013: 13.

[3] Bevis, Life lessons from Byron, 2013: 13.

[4] Zeh, Briefroman, 2013: 97.

[5] Ficacci, Bacon,2004: 21.

[6] Zeh, Briefroman, 2013: 158-159.

 

[7] Mulder, “De Ruimte van het Essay”, 2006: 135.

[8] Bevis, Life lessons from Byron, 2013: 19.

Monday, December 28, 2020

Een kleine studie van het portret

 Wauw.

Is dat echt die expressie?
Toont de spiegel zonder reflectie de waarheid? 
Met de handen in het haar en de ogen opengesperd
Krijg je geen kramp van jezelf zo vast te zetten? 
Of ben je dusdanig aan je eigen wanhoop toegewijd?
Elke keer dat ik terugkijk voel ik stress,
Maar almaar holler en holler,
Moet ik mij hier zorgen over maken? 
Wat als een spiegel een schilder-per-nummer was,
Zou je jezelf nog herkennen?
Zo oppervlakkig.
Vinger-op-de-pols-groenblauw tegenover die vermiljoenen blos.
Komen die aardkleuren uit de grond van je hart,
En niet van onder je voeten?
Overdonderd, of hangen de wolken er al lang?
Zie je de sterren niet meer?
Zitten ze vast in je ogen?
Is het misschien al uitgeregend en als tranen op je gezicht,
Wil je niet dat ze drogen?
Want je moet kunnen tonen dat je lijdt?
Ocharme toch.
Ochère.
Ochot. 

 


 

Gustave Courbet Le Déspéré 1845

 


 

Gustave Courbet’s Le Déspéré uit 1845. Een werk dat je, eenmaal je het gezien hebt, niet snel vergeet. Ik alvast niet. Het hoofd blijft in mijn hoofd zitten. Er zijn veel redenen om geboeid te zijn door Courbet. Het blijft interessant hoe hij radicaal was met zijn realisme. De gewone dingen in de verf zetten was oproerwekkend voor zijn tijd. Letterlijk. En na bijna 200 jaar spant die kous nog steeds. Normale dingen, emoties. Ze zijn zo mooi. Het valt niet te ontkennen dat deze alledaagse schoonheden op een manier geromantiseerd worden door Gustave. Of ik dit nu goed of slecht vind, daar ben ik niet helemaal uit. Er zit een schoonheid in, in het opblazen van de realiteit, moge dat nu zijn op een mystiek groot doek, of door de dramatisering van de weergave. Als je dat doet, moet er altijd ruimte zijn voor kritiek, naar het werk, de inhoud en de maker.

Het eerste gedicht is voor mij een ijsbreker, een vertrekpunt, het begin van bevraging, waarna ik de focus naar mezelf ombuig. Ik lijk duidelijk op Courbet – en dan bedoel ik niet enkel qua uiterlijk. Ik zou mezelf ook realist willen noemen, en net als anarchist Gustave, een tikkeltje eigenwijs. Ik ben ook iemand die de taboes van het normale leven, of wat ík het normale leven of alledaagse noem, wil doorbreken of aan het licht wil brengen. Hoe ongemakkelijk het ook mag lijken, via de kunst mag deze menselijkheid altijd zijn en gezien worden. Dit lukt me natuurlijk niet altijd, en zeker niet al beeldend. Dan maar schrijven, of gewoon: denken.

Zelfreflectie is niet gemakkelijk, kritiek geven op een ander, is dat wel. Wat als je hiermee kon spelen? Wat als je afstand van jezelf kon nemen en hiermee een sterker gevoel van empathie kon ontwikkelen? Graag. Wat ontstond uit een verdedigingsmechanisme, is uitgegroeid tot een manier van leven. Personages noem ik ze. Vrienden zijn ze ook. Meestal. Vrienden om mee te spelen, om ideeën mee uit te wisselen, om mee te dragen en om mee los te laten. Karaktertjes, interne raadgevers, therapeuten, patroonheiligen, ze zijn het een beetje allemaal, en ze zijn met veel. Maar eentje steekt er toch met kop en schouders bovenuit en is al lang aanwezig: Chad. Simpele naam, niet zo’n simpel persoon. Hij draagt zware gedachten en deelt pijnlijke inzichten met mij. Soms kan hij ook gewoon een excuus zijn om eens goed te kunnen wentelen in zelfmedelijden. Het leek me mooi hem eens aan het licht te brengen. Ik denk dat hij het daar mee eens zou zijn.

 


Er zijn natuurlijk enorm veel inspiraties voor mijn werk en mijn personages, maar ik wou buiten het typische voorbeeld van het erg figuratieve zoals bij Courbet, ook nog wat abstractere, merkwaardige plaatjes aanhalen. Concreet heb ik het over een zelfportret van Duchamp en de Vlaamse leeuw; onpersoonlijk en tegelijk met onlosmakelijk verbonden aan een sterke identiteit en een mystieke kracht. Deze beelden bevragen de idee van identiteit en onze persoonlijke realiteit, twee dingen die mij enorm bezighouden en ze zetten me aan het denken.

 


Genoeg gezegd, ik zal verder de gedichten laten spreken.


 

Zwarte haren waarin regendruppels fonkelen.
Hij was buiten gestormd wanneer het grijs en zwaar was.
Een bles waardoor zijn hoofd klokmatig opzij tikt, als een kleine elektroshock,
die na al die jaren nog altijd in zijn lijf lijkt te zitten. 

Aankijken voelt als over hem heen kijken, aangenaam en zonder schuldgevoel.
Al tekenend kijken maakt het mens zijn minder gênant.
De ongemakkelijkheid dringt zich niet langer op.

Doordringend maar niet onwennig.
Ik word toegelaten om te staren, naar de vergrote poriën door acné,
naar de mee-eters die als een vlinder op zijn gezicht zitten. 
Een grote, maar ingetogen aanwezigheid van een triestige leeuw, zonder goud noch geel.
Aporetisch over zijn doel.

Ik kan het zo goed beschrijven, zo goed herkennen.
Zelfs als ik niet kijk, zie ik het zo klaar.
Ik hou van portretten, van het maken van gezichten, van mensen.
Al ben ik wel wat gezichtsblind. Curieus.
Een gezicht onthouden duurt altijd even. Het tekenen helpt.
Het memoriseren van die kleine huid-details helpt.
Die typische kledijkeuzes en kapsels oppikken helpt.
De rest van het gelaat is een vaag gevoel,
alsof water de gouachebeelden in mijn hoofd heeft weggewassen.
Een ruwe schets is al wat overblijft.
Niemand echt kennen, en dus iedereen kunnen kennen. Hem wel. Hem ken ik zeker wel.
We staan diep verbonden.
Als een werk in olie, waar ik op terug kan blijven kijken.

Hij zit in zijn katoenfluwelen zetel, grote lampen uit want die zijn te confronterend.
Bij schemerlicht als een barokportret, omhuld in schaduw die hem gegoten zit als eigenlicht.
Zonder wereld, van de wereld.
Wat ik nog net kan zien is de zwarte lak op zijn lang lijkende nagels.
Hoog ingeplant op de slanke vingers die eruitzien als zoete koekjes.
Nooit een stukje van de vernis af, dat kan hij niet uitstaan.
Het klinkt misschien raar, maar ik mis zijn lunula’s. Hij heeft er acht meer dan ik.
Ik heb tenminste nog de haartjes tussen de knokels om naar te staren,
dat is de beste tweede keuze na de littekeningen op de armen.
Niet te vergeten de Lichtenberg-figuur;
maar ik wil niet dat hij me nu de rug toekeert.
Die mooie dingen kan ik nu allemaal niet zien onder zijn zwart rode trui,
die altijd afgestemd op zijn haar en ogen.
Hij frunnikt aan de gepilde wol en steekt zijn vingers in de averechtse mouwen.


Zijn geur is een die ik al zo lang zoek en maar blijf tegenkomen.
Ik denk aan kerkkaars met een beetje kampvuurrook, Axe “Black” deo en wierrook,
soms ook nagellak, ik heb er nog zwarte die ik van hem gekregen heb.
Hij koopt graag dingen voor mij, hij zegt dat hij toch geld genoeg heeft.
Filantroop die hij is.

Blijf kijken, Byron.

Ik wil niets slecht over hem zeggen, dat doet hij zelf al genoeg.
Hoe hij zich zorgen kan maken, stressen en opwinden, relativeert alles voor mij.

Kon hij maar wat van die liefde voelen, op de manier dat hij kan houden van zelfhaat.
Hij heeft toezicht op mijn labyrint, geeft me advies, neemt mijn zorgen.
Ik wil dwalen in het zijne en tonen dat hij niet de Minotaurus is. Hij is geen monster.
Zo zie ik hem niet. Maar hoe dan wel? 

Straks verlies ik de rode draad.


Blijf kijken, Byron.
Pluis het uit.

Ik maak me zorgen over hem; hij ademt niet juist. Ik hoor hem snuiven, ik hoor zijn hartslag rennen.
Hij schudt zijn haar naar links en krampt zijn volledige lichaam samen.

Trillende mondhoeken, rode ogen met heldere bliksemblik, adertjes als schichten,
Zelfs met die hypnopompische staar, nu alles zo vertroebeld is.
Psychosomatisch. Overdonderd.
Ik zie de migraine zijn oogzwart vergroten. Ik kan er al bijna geen iridologie meer op uitvoeren.
Grappig hoe zo’n klein detail zo veel kan zeggen over het geheel.
Waarom ziet hij er zo goed uit als het slecht gaat?


Zijn adamsappel, gecomponeerd uit alles wat hij wegslikt.
Die brommende warme stem klinkt nu zelfs naargeestig. 
Het is jammer, die tristesse, maar wat hij ook zegt, het klinkt mij altijd als muziek in de oren.

“Byron, Maak toch gewoon een foto, dat gaat langer mee.
Een tekening was gemakkelijker geweest, nee?”

 


 

 

 

Ik morste het uit frustratie. Water op gouache. Wou het ding verscheuren, maar iets of iemand hield me tegen. No use crying over spilled milk. Al was het voor mij eigenlijk meer feeling the need of dying over spilled water. Ik kon er niet bij blijven neerzitten, nee, dan had ik met plezier mijn hoofd tegen de vaalzwarte vloertegels geknald. Ik moest op een manier ontsnappen aan de situatie.

Gaan lopen. Elopement noemen ze dat. Dat is wat autisten doen als het hen te veel wordt. Het helpt. Zoals voor sommigen muziek helpt, moet ik even de benen van mijn lijf rennen om te zien waar het op staat. Het is het gemakkelijkste, iets waar je gemakkelijk de moeite mee voelt. Een uitputting die is toegestaan. Iets dat je mag doen met je boosheid. Voor als je het even niet meer weet. Ik wist wat ik wou doen: alles kapot maken. Maar nu maakt het niet uit. Ik weet het even niet meer, dat is meer dan genoeg, voor nu.

Ik pruts aan de pluisjes van mijn sweater. Die is van zachte wol en toch heb ik het wat koud: mijn vingers zien grauw. Om me beter te voelen, heb ik net even snel een schets gemaakt van waarneming. Even focussen op wie ik zie. Ik moet altijd een mens of een gezicht tekenen om van de weg van imposter syndroom af te kunnen rijden. Als een afrit van de snelweg. Ik zat even op automatische piloot. Ik moest sneller en sneller en sneller gaan.
En dan besefte ik dat ik gewoon een afslag kon nemen om even te bevestigen dat ik wist waar ik was.
Terug in de normale-gangs-wereld komen. Mislukking. Crisis. Pauze. Nieuwe poging. Bevestiging.
Nu: ontspanning. Nu mag dat. Ik kan het nog, wees tevreden. Niet “alles is verloren”, in die gedachte mag ik me niet in laten verliezen. Ontspan, verdomme. Lak je nagels.

En nu? Nu moeten ze drogen. Ze zijn mooi, maar dat duurt meestal niet lang. Hooguit enkele dagen.
Net als het haar tussen mijn wenkbrauwen teruggroeit, zal de nagellak afbladderen. Terug naar de tijdelijkheid, de twijfel. Ik ga me weer zorgen maken of ik het nog kan, of ik het nog waard ben. Schone schijn. Mijn nagels.
Ik wil ze in mijn huid delven alsof het mijn graf is. Maar ik moet wachten want ik word bekeken.
Ontspan. Doe rustig.

Kleine gedachten kunnen grote gevoelens opwekken. Een dag zonder rumineren en piekeren is een dag niet geleefd. Het stressmoment heeft al gepiekt, nu voel ik de weerslag in mijn hoofd, er zit wat vertraging op. “Chad, Je bent hier nu, laten we het gewoon even laten zijn” zei hij voordat hij eraan begon, aan zijn “geschreven portret”. Wat dat ook betekenen mag. Ik had haast niet gezien dat hij recht in mijn ogen keek.
Zijn gestaar beantwoord ik al tekenend, al kleuren mengend. De aura’s van mijn hoofdpijn verkwikken het donkere, lethargische palet. Het gekijk ziet er minder gênant uit met een artistieke blik.
Hij is aan het blindtypen, al blikt hij regelmatig toch naar zijn toetsenbord. Gewoon om zijn nagels te zien.
Zou hij dat weten? Hij fronst. Ik ben er nog steeds niet over.

Niet over hoe ik kon weten dat dat ging gebeuren, dat water morsen, en toch heb ik een jat naast mijn blad gezet. Dat het mij zo hard raakt is triestiger dan dat ik verdrietig ben. Dat ik niet eens mijn eigen intuïtie vertrouw omdat die in de clinch ligt met mijn doemdenken. Dat is het ergste. Mijn keel doet pijn, er moet iets uitkomen. Maar ik wil geen gal spuwen, dat zou te hard lijken op een zelfportret, en het is niet mijn beurt. Niet meer. Ontspan. Ik moet poseren. Gewoon zijn. Er is helemaal niets gewoon aan mij.
Ik ben niet goed in zijn.

“Byron, maak toch gewoon een foto, dat gaat langer mee.” “Een tekening was gemakkelijker geweest, nee?”

Het komt er compulsief uit, als een tic. En het voelt slecht. Ik ben een slecht mens, want ik had de gedachte,
het gevoel dat het eruit moest. Waarom zei ik dat? Terwijl ik sprak klonk het dissonant met hoe ik dacht te spreken. Ik wil stoppen, ik wil hem niet meer aankijken, het is niet leuk meer. Ik kan er niets aan doen.
Ik kan zelfs niet niets doen. Ik heb nood aan voelen, iets anders dan d. Er gewoon zijn voor hem kan ik niet. Misschien moet ik gaan.

Ik vecht de tranen uit mijn brandende ogen. Is het opeens warmer geworden? Ik krijg geen lucht.
Diep ademhalen. Het smeulende haardje aan dansende lavakleuren in me vat plots terug vlam. In een snelle flits een lopend vuur. Weer door bliksem geraakt. Ik sta terug in brand. Ik kijk naar mijn nagels en zie hoe de zwarte kleur naar achter geduwd is. De riemen komen weer zachtjes tevoorschijn. Ik moet toch aan mijn armen gekrabd hebben. Wat scheelt het?

Ik zet mijn klauwen in mijn vlees. En maak dat ik weg ben.

“Chad? Hé, niet weglopen!”


 

 

Het is belangrijk om je kunstpraktijk waar te nemen vanuit het standpunt van de toeschouwer. Een kunstenaar lijkt dit soms te vergeten. Een portrettist doet dit op een manier altijd; die neemt het model waar alsof het een kunstwerk is. Op deze relatie probeer ik me te focussen. Er wordt een speciale band gecreëerd tussen mij en mijn inspiratie, maar gelijktijdig ook een barrière. Je moet de persoon immers zo goed mogelijk leren kennen, ook voldoende afstand behouden. Dit zorgt voor interessante een reflectie. Een portret is een ontmoetingsoord van twee mensen: de geportretteerde en de portrettist. Inzicht in mezelf en in anderen gaan hier hand in hand. Er zit altijd een deel van mezelf in een portret.

Op een manier voelt schrijven zowel directer als indirecter dan tekenen. Woorden zijn algemeen veel makkelijker te interpreteren dan een tekening; ze zijn duidelijker, scheppen context. Ook al is een tekening een directere vorm van waarnemen en vormt het al sneller dan woorden een samenhangend geheel dit, toch kan een tekening gemakkelijk zijn inhoud of “punt” verliezen door deze algemeenheid. Een tekening is meer een pure uiting van een gevoel of idee. Als schrijver ga je explicieter opzoek naar een betekenis of inhoud.

Naar mijn mening is alles het waard om op te schrijven en te beschrijven. De schoonheid van kleine dingen, daar focus ik me graag op. Details maken het grote verschil. Overprikkeling wordt poëzie, gezichtsblindheid wordt onderzoek. Ik kan knutselen met woorden, schrijffouten kunnen me op neologismen doen komen. Taalgebruik zorgt ervoor dat het altijd een beetje een zelfportret is, want het is mijn lexicon. Al lijken woorden anoniem, eigen beeldspraak en woordkeuze is je het medium toe-eigenen. Het is best moeilijk om het echt door te drijven. Mezelf écht te confronteren met de vragen: “Wie is die persoon?” “Wil ik die echt kennen?” “Hoe diep moet/kan ik graven?” En “Kan ik dat nog beter doen?” Durven eerlijk te zijn, zelfs als het pijn doet of lelijk lijkt. Durven dingen herschrijven en schrappen; zoeken naar de essentie. Op een manier moet je veel toelaten, maar langs de andere kant ook streng filtreren. Grondig zeven voor goud, dan wordt een werk goed. Dit zorgt voor voldoening, voor zelfreflectie en werkt grondend. Wanneer je de ander sterk waarneemt, begin je jezelf terug te zien. Weten wat het is om gezien te worden is de essentie van een portret(tist).

En om af te ronden, Dan Howell, een persoon uit het echte leven die ik al even volg, heeft onlangs een boek geschreven. Over leven en overleven. Het moet nog uitgegeven worden. Een kaartje van deze grote inspiratie van mij is toegekomen na het schrijven van mijn gedicht. Het is een bevestiging van een pre-order. Past er te perfect bij. Serendipiteit.


                       



Wednesday, December 9, 2020

Dagblog 27 - portret van persoon die ik wil leren kennen.

 Ik ben momenteel een beetje een pauze aan het nemen in het dagels bloggen, alles worst me een beetje veel, en ik wil dat het zijn waarde niet verliest. 

Dus verwacht iets minder voor een tijdje. 

Ik wil graag wel mijn opdracht delen van beeldspraak, schrijfatelier. 


1. Maak vanuit jouw eigen perspectief een portret in dichtvorm van iemand die je kent of wilt leren kennen. Gebruik geen bestaand portret, maar leg gerust een eigen beeldocumentatie aan.

2. Schrijf een A4 in proza waarin je de geportretteerde zelf op eigen wijze aan het woord laat over een onderwerp dat hem of haar bezighoudt tijdens het maken van je portret, reëel of fictief.

3. Werk in twee tot drie alinea's een inzicht, idee of gedachte uit die volgens jou cruciaal is bij het maken van een portret in het algemeen en die ook speelde bij jouw portret in het bijzonder.


Zwarte haren waarin de regendruppels fonkelen als sterren,
hij was buiten gestormd wanneer het grijs en zwaar was -of is het roos?
Een bless waardoor hij zijn hoofd klokmatig opzij tict, als een kleine elektro-shock,
die na al die jaren nog in zijn lijf lijkt te zitten. 

Aankijken voelt als over of door hem heen kijken, aangenaam en zonder schuldgevoel.
Al lijkt zijn blik streng, hij kan even zacht zijn als het donshaar op zijn oorlellen.
Doordringend maar niet onwenning.
Al tekenend kijken maakt het mens zijn minder genânt.
Je wordt toegelaten om te staren, naar de vergrote poriën door acne,
naar de mee-eters die als negatief van zijn kruin op zijn huid zitten als een vlinder op zijn gezicht.  Een gezicht als een leeuw, maar hij kijkt al even triestig als die op de vlag.
Aporetisch over wat hij moet doen.
Identiteitscrisis.

Ik kan het zo goed beschrijven, zo goed herkennen. Zelfs als ik het niet zie, zie ik het zo klaar.
Ik hou van portretten, het maken van gezichten, van mensen. Al ben ik wel wat gezichtsblind. Curieus. Het duurt altijd even voor ik een gezicht onthoud. Het tekenen helpt. Toch nog zo nerveus.

Ik zal beginnen met de situatie te schetsen.
Hij zit in zijn zetel, grote lichten uit want die zijn te confronterend,
bij schemerlicht als een barokportret, omhuld in schaduw die hem gegoten zit als eigenlicht.
Zonder wereld, van de wereld.
Wat ik nog net kan zien is de zwarte nagellak op zijn lang lijkende nagels, ze zijn eigenlijk niet zo lang, gewoon hoog ingeplant op zijn lange vingers, ze zien eruit als zoete koekjes.
Nooit een stukje van de vernis af, dat kan hij niet uitstaan.
Het klinkt misschien raar, maar ik mis zijn lunala’s. Hij heeft er 8 meer dan mij.
Ik heb tenminste nog de haartjes tussen de knokels om naar te staren, dat is de beste tweede keuze na de littekeningen op de armen. Niet te vergeten de lichtenberg figuur,
maar ik wil niet dat hij me nu de rug toekeert.
Die mooie dingen kan ik nu allemaal niet zien onder zijn zwart rode trui,
altijd matchend met zijn haar en ogen.
Hij frunnikt aan de gepilde wol en steekt zijn vingers in de averechte mouwen.

Ruikt naar een geur die al zo lang zoek en maar blijf tegenkomen.
Ik denk aan kerkkaars, Axe “Black” deo en wierrook, soms ook nagellak,
ik heb er nog zwarte die ik van hem gekregen heb. Hij koopt graag dingen voor mij,
hij zegt dat hij toch geld genoeg heeft.

Trillende mondhoeken, rode ogen met heldere bliksem blik, adertjes als schichten, zelfs nu alles zo vertroebeld is. Zelfs met die hypnopompische staar.
Ik zie de migraine zijn oogzwart vergroten. Ik kan er al bijna geen iridologie meer op uitvoeren.

Psychosomatisch. Overdonderd. Grappig hoe zo een klein detail zo veel kan zeggen over het geheel.
Brommende stem, grommen klinkt nu zelfs triestig.
Adamsappel gecomponeerd uit alles wat hij wegslikt.
Het is jammer, want wat hij ook zegt, het klinkt mij altijd als muziek in de oren.

“Maak toch gewoon een foto, dat gaat langer mee.
Een tekening was gemakkelijker geweest, nee?”


 -----

Gaan lopen. Elopement noemen ze dat. Dat is wat autisten doen als het hen te veel wordt.  Het helpt, zoals voor sommigen muziek helpt, moet ik even de benen van mijn lijf rennen om te zien waar het op staat. Het is het gemakkelijkste, iets waar je gemakkelijk de moeite mee voelt. Een uitputting die mag. Iets dat je mag doen met je boosheid. Voor als je het even niet meer weet. Ik wist wat ik wou doen: alles kapot maken. Maar nu maakt het niet uit. Ik weet het even niet meer, dat is meer dan genoeg, voor nu.

Ik pruts aan de pluisjes van mijn ­­sweater. Heb net even snel een schets gemaakt van waarneming, om me beter te voelen. Even focussen op wie ik zie. Ik moet altijd een mens, een gezicht, tekenen om de weg van imposter syndroom af te kunnen rijden. Als een afrit van de snelweg, ik zat even op automatische piloot. Ik moest sneller en sneller en sneller gaan. En dan besefte ik dat ik gewoon een afslag moest nemen, even bevestigen dat hij wist waar ik was. En terug in de normale-gangs-wereld komen. 

Even de situatie schetsen. Ik heb een werk waarop ik gemorst heb uit frustratie. Water op gouache. Wou het scheuren maar iets of iemand hield me tegen. No use crying over spilled milk. Al was het voor mij eigenlijk meer feeling the need of dying over spilled water.

Dan maar gewoon gaan lopen, mijn nagels gelakt en nu moeten ze drogen, nu zijn ze mooi, maar duurt meestal niet lang, enkele dagen, net als het haar tussen mijn wenkbrauwen teruggroeit zal het afbladeren. Ik wil ze in mijn huid delven alsof het mijn graf is. Maar ik moet wachten, en ik word bekeken. Kleine gedachten kunnen grote gevoelens aanspreken. Een dag zonder rumineren en piekeren is een dag niet geleefd. De stress moment heeft al gepiekt, nu voel ik de weerslag in mijn hoofd, er zit wat vertraging op. “Je bent hier nu, laten we het gewoon even laten zijn” zei hij voordat hij eraan begon. Ik had haast niet gezien dat hij recht in mijn ogen keek.

Terwijl hij zit te staren kijk ik terug al tekenend, al kleurenmengend. De aura’s van mijn hoofdpijn verkwikken het donkere, lethargische pallet wat. Het ziet er minder genânt uit met een artistieke blik.

Hij is aan het blindtypen, al kijkt hij regelmatig toch naar zijn toetsenbord, gewoon om zijn nagels te zien, zou hij dat weten? Hij fronst. Ik ben er nog steeds niet over, over hoe ik nu zo kon weten dat dat ging gebeuren, dat water, en toch heb ik een jat naast mijn blad gezet. Dat het mij zo hard raakt is triestiger dan dat ik verdrietig ben. Dat ik niet eens mijn eigen intuïtie vertrouw omdat hij in de clinch ligt met mijn anxiety. Mijn keel doet pijn, er moet iets uitkomen. Maar ik wil geen gal spuwen, dat zou te hard lijken op een zelfportret en het is niet mijn beurt. Ik moet poseren. Gewoon zijn. Er is helemaal niets gewoon aan mij. Ik ben niet goed in zijn.

“Maak toch gewoon een foto, dat gaat langer mee” “Een tekening was gemakkelijker geweest, nee?”

Het komt er compulsief uit, als een tic. En het voelt slecht, ik ben een slecht mens, want ik had de gedachten, het gevoel dat het eruit moest. Een dramaqueen die het niet waard is. Waarom zei ik dat? Terwijl ik sprak klonk het al dissonant met hoe ik denk te spreken. Ik wil stoppen, ik wil hem niet meer aankijken, het is niet leuk meer. Anti-ik, ben tegen alles. Ik sta weer in brand, weer door bliksem geraakt.


Ik kijk naar mijn nagels en zie hoe de zwarte kleur naar achter is geduwd en de riemen weer zachtjes verschijnen. Het maakt niet meer uit. Ik sta weer in brand, weer door bliksem geraakt. Ik zet mijn klauwen in mijn vlees. 

  

 -----

Het werk van anderen kan inspirerend werken, ook wanneer de teksten niet helemaal mijn ding zijn. Kijken en lezen, het ervaren op de wijze dat jouw werk ervaren zal worden is belangrijker dan ik dacht. Het schrijven van een portret, wat ik allemaal kan tekenen met woorden is interessant. Het is goed om te beseffen dat beide manieren van werken mogen, soms is tekenen gemakkelijker, soms is dat schrijven. En beide mogen elkaar inspireren. Op een manier indirecter en directer dan tekenen. Ik denk dat dat afhangt van hoe je je voelt, je gevoel heeft veel invloed op je werk, ook bij het maken van een portret.

 

Alles is het waard om op te schrijven, te beschrijven, uit alle soort ervaringen kan je iets maken. Overprikkeling wordt poëzie, gezichtsblindheid wordt onderzoek. De schoonheid van kleine dingen en het nut van dingen die fout lijken te zijn of te lopen. Je kan knutselen met woorden, schrijffouten kunnen je op nieuwe woorden doen komen. Je taalgebruik zorgt ervoor dat het altijd een beetje een zelfportret is, want het is jouw lexicon. Kleine details maken het grote verschil. Al lijken woorden anoniem, eigen beeldspraak en de keuze van taal is het medium je toe-eigenen, en dan wordt een werk goed: wanneer je het snapt, hoe het allemaal in elkaar zit.  Het zorgt voor voldoening, zelfreflectie en werkt grondend. Een goed portret hebben is als een bliksemafleider maar je al je flitsen aan ideeën en waarnemingen kunt afknallen, en het leidt tot een sereen geheel.

Inzicht in jezelf en in anderen gaan hand in hand, een portret is een ontmoetingsoord van twee mensen: de geportretteerde en het model.

 

Zie je later, tot snel

1. blogtekst
2. steun vrienden
3. op kot met warme chauffage

even rustig aan

health & gn xxx



(scan met feedback)

een verbeterde versie, het finale product vind je in de volgende blog
"een kleine studie van het portret" 


Thursday, December 3, 2020

Dagblog 26 - Concept


Camille heeft me overtuigd. Ik ga gaan drukken. Het idee is volgende vrijdag in de namiddag. Ze heeft me zo ver gekregen. Dat is goed! (En niet gemakkelijk). Ik was al beginnen dingen zoeken die ik wil etsen, en ha ze uitgeprint. Ik was dan ook maar ineens aan het denken over de melkbriketsen, dat formaat is perfect voor bladwijzers! En ik heb al iets met het perfecte formaat voor een bladwijzer: mijnlange uitgangsborden! Ik ben meteen beginnen etsen. En toen ik klaar was had ik een foto gestuurd. en het zag er goed uit :) Jeej, ik zal er niet zo veel van kunnen drukken, maar het is iets. Maar toen. "Ma uh, Byron" O nee, wat? " 't Is geen spiegelbeeld". Opnieuw! Stap één en ik zit al verkeerd. Maar beter dat ik het nu weet en kan aanpassen, heb ineens mijn referenties in spiegelbeeld geprint. "Sapperdepitjes, dat is niet de eerste keer". Op zich was er niet raars aan die zin, maar dat eerste woord gebruik in nooit, en ineens kwam het in me op en moest ik het sturen. Even later weet ik waarom. Camille antwoordde: "Omg ik heb een vernis mou gemaakt vandaag en er staat sapperdepitjes op, hahaha." Ik heb dat aangevoeld. (Ik vraag me ook af waar die uitspraak vandaan komt, maar ik kan de etymologie niet terugvinden. --Wat is de etymologie van etymologie?)

Vergissing (geen spiegelschrift) nu wel een reflecterend bordje! 

Zo zie je maar dat wanneer iets "fout loopt" dat ook met een reden is. Had ik nooit lui willen zijn en thuis etsen, dan had ik het tetrabriketsten niet gevonden. Had ik niet te opvliegerig geweest, dan had ik door gehad dat ik in spiegelschrift moest etsen. Maar nu heb ik een reflecteren bordje (het groen is acrylverf) Hoe cool! Daar was ik zelf nooit op gekomen. Wel, ik ben er wel zelf op gekomen, maar ja, je snapt wat ik bedoel. Mijn zesde zintuig lijkt zich toch in enige zin wat scherp te stellen. 

Met Fran naar supermarkt, Lidl of Aldi, vanachter was de tekenles van vroeger en we waren onze mondmaskers vergeten. Ik wandelde over de Diestse steenweg, er vloog een hoed voorbij, ik heb die gepakt en teruggegeven aan de eigenaar. Ik liep er mee naar de bushalte, daar aan de Aveve was nu een soort winkelcomplex zo de sfeer van bij de Sims. Louche types. Een meisje met bruin haar haar hetzelfde als ogen met witte stukken en wolken. Zij en hij vroegen: hoe graag ziet je moeder je? Ik zei best graag. Wat ze bedoelde was op welk lichaamsdeel ze hun Sigaret mochten uitdoven, dus deden ze het op mijn been. Maar ik voelde het ook op mijn armen. Het meisje vroeg: waarom heb je wit in je baard? Ik zei: "gewoon." "waarom heb je zoveel acne?" en ik zei "seg, nu ga je te ver" en vertrok. Toen kwam meteen een bus, en die stopte want ik stond aan zon tijdelijke halte en ik stapte op en viel bijna achterover en ik was mijn mondmasker vergeten "o nee".

Zullen we deze dan maar eens ontleden? Ik heb vanalle termen eruit opgezocht, een beetje veel om ze allemaal hier te zetten. Nu ga ik eens kijken of ze een coherent verhaal kunnen vormen. Veel zal simpelweg over schoolwerk gaan en het jongleren met theorielessen, atelier en alle ideeën en tijd en motivatiegebrek om het uit te werken, of het geen inzicht hebben in de zaken. Dit is wat ik ervan maak:

Zus, wat is mijn rol in de familie? De supermarkt van emoties wilt aandacht. Ik ben aardig geweest, maar ik moet zien dat niemand mijn goede wil misbruikt. Let op, laat je niet doen, laat je niet provoceren. De straat van het levenspad. Met een zijstraat, iets om te ontdekken, een alternatieve manier van leven? Die met de hoed verbergt iets voor me. Aan de bushalte moet een beslissing genomen worden. Evalueer je leven, hoe heb je het geleid? Wat ga je doen met je toekomst? Dat wachten op die bus, dat is tegenslag, dat wil ik niet. Iets wil ik niet, ergens geraak ik zelf niet. Sigaretten. Een sigaret gerookt, pas op voor de invloed van anderen, ze kunnen je waarden vals vervangen. De rook maakt het moeilijk te communiceren met mensen. Rokende mensen, verdeeldheid, onenigheid, opstandigheid. Wil ik dit? Wil ik hierbij zijn? Die bruine ogen van bedrog. Ik ken ze niet, ze wilt me verleiden iets te doen dat fataal voor me is. Niet te dicht bij vreemden komen, laat je niet te diep in je persoonlijke leven raken. Maar die bruine haren… ik heb behoefte aan goede vrienden, sterkte en veiligheid in de toekomst. Ben ik verward over mensen hun bedoelingen? Ondervraging, met mensen waar ik niet mee om kan. Ik ben onzeker, ik ben sociaal zwak. Mij vragen stellen op die manier, is oneerlijk. Behandel me niet zo, dan loop ik weg, ik ontwijk problemen liever, ik wil geen verantwoordelijkheid voor mijn daden, ik ben bang, mijn angsten: te confronterend. Dan neem ik wel de bus opgaan in de menigte. Geen nood aan originalteit maar ook geen controle over de weg van mijn leven. Maar die witte baarharen, ik zal groeien in de toekomst. Ik zal open gaan staan voor mijn creativiteit! Ik ben wijs, macht over anderen en geluk? Of ben ik juist te scherp geweest?  Maar ik viel bijna. Zal ik falen? Ben ik het niet waard? Zal ik het kunnen, op school? Waar is mijn trots, waarom schaamte? Die mondmaskers voelen soms zo gewelddadig aan. Ben ik iets aan het vergeten?

 

 Conclusie:
Voor mezelf opkomen, zelfrelfecteren op wat ik wil, eigen weg zoeken. Je niet laten doen door slechte feedback (verleden en toekomst). Mensen niet zomaar geloven, niet zomaar in meegaan, moeite met inschatten van mensen, mijn sociale vaardigheden. Schoolstress. Van tinder afblijven. Mezelf zijn of worden is moeilijk en confronterend, ik wil verschuilen. Maar mezelf zijn zal voor creativiteit en groei zorgen. 


Dat van die bruine ogen? Dat is eng, als iets te accuraat is of te hard binnenkomt of samenkomt, meestal iets paranormaal, dan beginnen mijn ogen te tranen. Dit is een beetje waarom ik niet zo hou van bovenzintuigelijkheid. Bruine ogen? Droom ik in kleur? Ik weet niet of ik in kleur droom. Maar alles wat ge droomt is in uw hoofd, is eerder conceptueel. Ik zie niet per se bruin. maar mijn hoofd zegt "da's bruin", ge ziet bruin. Het echt zien gebeurt ni vaak. Ik ben een conceptuele dromer. En hoor statements. Dit is wel een beetje een relevatie. 

Fluxus, vandaag, waar ik zo veel stress voor had. Gelukkig was ik niet alleen, gelukkig was ik niet de enige die trilde. Ik had iets lang geschreven, iets te lang, dus heb ik het terwijl de andere aan het voorstellen nog ingekort.

Geef alles dat je ziet een nieuwe naam en begroet ze. Stel ze aan ons voor.
Wat is het laatste dat je hebt geschreven?
Draag het maar voor aan een van je nieuwe vrienden, gedurende een minuut.

Ja, ik heb veel weggelaten, maar ik moet zeggen dit zorgde voor een mooi resultaat. 
Wat moest ik doen? Ik moest me verkleden alsof het een Syberische winter was en alles uit de kast halen. Heb ik gedaan. 
Ik moet iets bekennen... Ik wist al even dat het iets met aan/uitkleden ging zijn. Ik had het moeten zeggen, want achteraf kan ik natuurlijk vanalles beweren. Maar je moet weten dat ik lui ben, en niet echt durf te vertrouwen op mijn ESP, als weet het veel. Dat is het 'em net. Het is een beetje eng veel. Dat is een beetje het probleem: ik kan er niet omheen, dat ik vanalles aanvoel en voorspel. Dus ik zou er eigenlijk veel baat uit halen er mee te leren werken. Maar ik durf niet... Die kennis kan angst veroorzaken. Zo zal ik niet al mijn dromen opzoeken. Het is werkelijk te verontrustend. 

En nu is het tijd voor conceptuele kunst. De opdracht was gewoon: maak een conceptueel werk. Echt een machtige stroming, vind je niet? Als je het niet kan uitstaan en naar uitleg zoekt, dan zegt dat waarschijnlijk genoeg. Ik vind het mooi. Felix ronde zijn les af met dat de kunst zich had vrijgevochten. En ik kreeg meteen een idee en mijn werk was geboren:
Ik wil het graag nog uitschilderen op A3 met acryl. Het is iets simpel en eigenlijk automatisch, maar als ik wil zit er zo veel in. Maar nu weet ik: ik moet dat allemaal vertellen. Het is er, vertel jij het nu maar. 

Blogs en introspectie schrijven is veel en niet-gemakkelijk werk, maar het doet me glimlachen, voor mezelf, ook als ik alleen ben. 

1. blogpost
2. les Fluxus overleefd, hij was nog leuk ook.
3. terug op kot. Natuurlijk ben ik alles obsessief aan het opschrijven zodat ik het niet vergeet.

health & gn xxx



The incoherent ramblings of a vampire - A Fictional diary entry for Anthropology of art

  The incoherent ramblings of a vampire   v   Today, 2021-2022, the things I’ve learnt in Lifetime 14   I am looking I am looking f...